De verjaardag van het bloedbad van 1988
onder 30.000 politieke gevangenen in Iran
Het bloedbad van 1988 onder ruim 30.000
politieke gevangenen in Iran wordt omschreven als de ergste misdaad tegen de
menselijkheid sinds de Tweede Wereldoorlog. [1]
28 jaar na deze genocide weigert het
Iraanse regime nog steeds de terechtstellingen te erkennen of informatie te
verstrekken over het aantal gevangenen dat is gedood.
Op basis van ooggetuigenverslagen van
overlevenden was het bloedbad al minstens een jaar van tevoren voorbereid. De
opdracht tot het bloedbad kwam rechtstreeks van Khomeini in de vorm van een
religieus decreet (fatwa), waarin werd opgeroepen tot de executie van al
diegenen die de Iraanse oppositie vastberaden bleven steunen. [2]
Een zogenaamde amnestiecommissie (beter
bekend onder gevangenen als de Doodscommissie) stelde elke gevangene een
eenvoudige vraag: steunt u nog steeds de oppositie?
Wie met ja antwoordde, werd meteen
geëxecuteerd, zelfs als al hadden ze hun oorspronkelijke gevangenisstraf reeds
uitgezeten. [3] Geen van de slachtoffers had tijdens de detentie nieuwe
activiteiten ontplooid en velen van hen waren ten tijde van de oorspronkelijke
arrestatie en vervolging 15 of 16 jaar oud.
De terechtstellingen begonnen in de
laatste week van juli, bereikten een hoogtepunt in de periode van 28 juli tot
14 augustus en gingen op sommige plaatsen door tot in de herfst en zelfs het
jaar daarop.
De overgrote meerderheid van de
slachtoffers waren natuurlijk leden en aanhangers van het Iraanse verzet, maar
in een later stadium sloeg de opdracht op andere groepen.
Gevangenen werden in groepen opgehangen,
soms 10 tot 15 tegelijk, en later met afvalvrachtwagens de gevangenis uit
vervoerd en in massagraven begraven. Er was geen enkel mededogen met wie dan
ook, zelfs niet met jonge meisjes en zwangere vrouwen.
Khomeini's haast om te executeren was zo
afschuwelijk dat veel van zijn naaste vertrouwelingen er hun twijfels over
hadden. Hossein Ali Montazeri, de gedoodverfde opvolger van Khomeini en
destijds de op één na hoogste autoriteit van het land, drong aan op clementie
en een bedachtzamere uitvoering. [4]
In zijn in december 2000 gepubliceerde
memoires wees Montazeri op de wrede martelingen waaraan jonge meisjes en
vrouwen onderworpen werden, voordat zij tijdens het bloedbad van 1988 werden
terechtgesteld.
In een beroemde brief aan Khomeini, die
leidde tot zijn degradatie, schreef Montazeri: "U zult waarschijnlijk bij
uw besluit blijven, maar beveel dan op zijn minst (de drie man tellende
Doodsommissie) om hun uitspraken te baseren op eenparigheid van stemmen, niet
op die van stemmenmeerderheid. En er moeten ook uitzonderingen worden gemaakt
voor vrouwen, met name vrouwen met kinderen. En tot slot, de terechtstelling
van enkele duizenden mensen in een paar dagen tijd zal averechts werken."
Uit deze brief kunnen we de rol en de
impact begrijpen van vrouwen in de gevangenissen van die tijd. Ze waren sterk
en veerkrachtig en inspireerden tot verzet, hoewel ze wisten dat ze de
gruwelijke ervaring van verkrachting moesten doorstaan voordat ze werden
opgehangen. Maar zij zeiden NEE tegen de beulen.
Naar verluidt was in september 1988 80
procent van de vrouwen van de oppositie die in de Vrouwenafdeling 3 van de
Evin-gevangenis waren opgesloten, afgeslacht. Onder de slachtoffers bevonden
zich ook een groot aantal mensen uit verschillende beroepsgroepen, waaronder de
kandidaten voor de parlementsverkiezingen Fatemeh Zare'ii uit Shiraz en Zohreh
Ainol-Yagheen uit Isfahan. Dr. Hamideh Sayyahi en Dr. Shourangiz Karimian,
samen met haar zus, en de nationale volleybalteamspeler Forouzan Abdi behoorden
eveneens tot de terechtgestelden tijdens het bloedbad van 1988.
Een audiofragment dat Montazeri's familie
onlangs op zijn website uitbracht, onthult ook vreselijke details over het
afslachten van vrouwen. Op de bandopname van de ontmoeting van Montazeri met
leden van de Doodscommissie staat een voorbeeld van de terechtstelling van een
15-jarig meisje dat pas twee dagen eerder in de gevangenis gestopt was met de
bedoeling haar weerspannige broer te breken, maar dat ook terechtgesteld werd
omdat ze haar terechtgestelde broer niet afviel.
Op de band staat ook een verwijzing naar
de terechtstelling van een zwangere vrouw in Isfahan.
Het totaalbeeld van het bloedbad van 1988
is volstrekt onbevredigend, omdat het om een omvangrijk bloedbad ging dat in
gevangenissen in het hele land plaatsvond. In sommige gevallen was er geen
enkele overlevende. Het klerikale regime behandelde alle informatie over het
bloedbad als topgeheim en stond geen lekken toe.
Wat over het bloedbad bekend is, is dus
geëxtraheerd en samengevoegd uit het beperkte aantal meldingen van overlevenden
en families die werden opgeroepen om de lichamen van hun dierbaren te komen
ophalen [5] en uit losse opmerkingen van voormalige regimefunctionarissen,
zoals vermeld in dit artikel.
De keerzijde van deze misdaad tegen de
menselijkheid is natuurlijk de standvastigheid van een generatie gevangenen die
niet wankelde onder de dreiging van de dood en die hun identiteit verdedigde,
die voor hen overeenkwam met de vrijheid van hun natie. Op die manier
bevestigden ze het recht van hun natie op vrijheid van keuze en van denken, en
veranderden ze deze grote misdaad tegen de menselijkheid in een episch humane
belichaming van menselijke genade en moed die elk menselijk wezen met een
geweten nederig stemt.
Het Iraanse verzet heeft opnieuw
opgeroepen tot internationale vervolging van alle daders van het bloedbad van
1988 en van de misdaad tegen de menselijkheid in Iran, die nog steeds aan de
macht zijn en belangrijke gezaghebbende posities bekleden. Daartoe behoren
Khamenei (toentertijd president onder Khomeini), Rafsanjani (toentertijd
waarnemend opperbevelhebber van de strijdkrachten), Rouhani (toen assistent van
de waarnemend opperbevelhebber van de strijdkrachten) en leden van de
Doodscommissie, nl. Mostafa Pour-Mohammadi (nu minister van Justitie onder Hassan
Rouhani), Hossein-Ali Nayyeri (nu hoofd van het Hooggerechtshof voor tuchtzaken
voor rechters onder Rouhani), Morteza Eshraqi (toenmalige aanklager), en
Ebrahim Raeesi (een van de topambtenaren, lid van de Raad der Wijzen, en het
door Khamenei benoemde hoofd van de stichting Astan Qods-e Razavi, een
belangrijke politieke en economische factor die de oorlogsinspanningen van het
regime financiert).
[1] Een voormalig plaatsvervanger van het
Ministerie van Inlichtingen nam in 2008 een videoclip op, waarin hij onthulde
dat het klerikale regime zo'n 33.700 politieke gevangenen had afgeslacht en
begraven in massagraven. Volgens Reza Malek zijn er 170 tot 190 massagraven
over het hele land.
[2] "Wie op enig moment lid blijft (van
de oppositie) moet terechtgesteld worden", aldus Khomeini's fatwa.
[3] Khomeini wees een driekoppige
zogenaamde 'Amnestiecommissie' aan, die summiere processen voerde en gevangenen
alleen maar ondervroeg om hun lot te bepalen.
De vragen draaiden om de vraag of de
gevangene trouw bleef aan het verzet. Als de gevangenen niet bereid waren om
volledig mee te werken met het regime en tegen de oppositie, werd dit gezien
als een teken van sympathie voor de betreffende organisatie en werd het vonnis
onmiddellijk uitgevoerd.
[4] Montazeri werd gedegradeerd en onder
huisarrest geplaatst tot zijn dood in 2009, vanwege zijn protesten tegen het
bloedbad.
[5] Een bericht uit Shiraz geeft aan:
"Toen wij de geruchten over de slachtpartijen onder het publiek
verspreidden, verwezen we naar de gevangenis. Executeurs vertelden ons: 'Wat
verwachtte je, dat we je snoepjes en koekjes zouden serveren? Op één dag hebben
we 860 mensen tegelijk gedood! Als u nu nog een uitvaart organiseert, zullen
wij ook uw huis verwoesten."


No comments:
Post a Comment