Saturday, November 25, 2017

Politieke gevangene Soheil Arabi: Een prijs kan mij pas gelukkig maken als we erin slagen de onderdrukkers te overwinnen



10 november 2017

 In reactie op de hem toegekende jaarlijkse prijs van de Reporters zonder Grenzen verklaarde de Iraanse politieke gevangene Soheil Arabi in een brief: “Een prijs kan mij pas gelukkig maken als we er samen in slagen de onderdrukking te beĆ«indigen en de onderdrukkers te overwinnen.”

In deze brief schreef deze politieke gevangene, op het moment gedetineerd in Afdeling 8 van de Evin-gevangenis, verder: “Toen bleek dat de meeste media in handen waren van twee facties die met elkaar wedijveren m.b.t. censuur en conservatisme, waarbij een aantal mensen betaald worden om ongeletterdheid en bijgeloof te promoten en ons zo een rad voor de ogen te draaien, besloot ik een onafhankelijke journalist te worden, zodat ik de hele waarheid kon beschrijven zonder correcties van bovenaf en censuur.”
“De arrogante heerser en zijn ondergeschikten zijn er echter vreselijk bang voor dat wij (de waarheid) doorgronden en daarbij anderen de ogen openen. Ze schotelen ons mythen en bijgeloof voor, en zijn pas blij als ze erin slagen ons in slaap te wiegen om onze rijkdommen te kunnen plunderen en het land een dodelijke rust te bezorgen. Ja, de tirannen kwijtraken is als een ontwaken, los van tirannen, die op brute wijze journalisten en burgers onderdrukken.”
“Ik dank u, mijn goede vrienden over de grenzen heen, die mij deze waardevolle prijs waardig achtten. Deze prijs motiveert me op twee manieren om door te gaan met mijn werk als journalist, zelfs van achter de tralies, om de stem van de Iraanse ideologische en politieke gevangenen onder de aandacht te brengen van alle mensen op aarde, en ik hoop dat u mij ook in de toekomst op dit gebied zult willen helpen,” voegde Soheil eraan toe.
“Veel jonge mensen zijn samen met mij veroordeeld tot gevangenisstraffen veroordeeld, samen met tientallen andere politieke en gewetensbezwaarde gevangenen in heel Iran, die geen adequate steun krijgen. Het dwangarbeidersregime in de afdelingen 7 en 8 van de Evin-gevangenis omvat onbetaald werk van de gevangenen dat normaal gesproken door het veiligheidspersoneel en de keuken- en geneeskundige eenheid zou verricht worden, wat ook nog eens indruist tegen de gevangenisregel.”, aldus een verdere passage uit de brief.
En: “Slapen op de blote grond, verkoop van voedsel en goederen tegen astronomische prijzen, gewelddadige inspecties en tientallen andere misbruiken, zoals schendingen van de mensenrechten, komen voor in de gevangenissen van de Islamitische Republiek. Waar blijft de redder?”
Soheil Arabi, een gediplomeerd fotograaf en vader van een meisje, werd gearresteerd door de inlichtingendienst van de Revolutionaire Garde in de herfst van 2013 en kreeg martelingen in eenzame opsluiting te verduren in afdeling A-2 van de IRGC.
Soheil Arabi was in eerste instantie ter dood veroordeeld, in hoger beroep tot zeveneneenhalf jaar gevangenisstraf wegens de publicatie van foto’s van de opstand van 2009, wegens zijn cartoon van Khamenei en de verspreiding van artikelen in cyberspace. Hij werd beschuldigd van "Propaganda tegen de staat", "apostasie", "blasfemie t.o.v. de Profeet en belediging van de heiligheid”. Daarbovenop werd hij tot drie jaar veroordeeld en een straf van 30 zweepslagen wegens belediging van de regimeleiders.
Volgens het verdict van de inquisitierechtbank is hij, om zijn spijt te bewijzen en een terechtstelling te voorkomen, veroordeeld tot twee jaar "religieus onderzoek" door 13 delen van de absurde boeken over religie van de mullahs te lezen en daarna een samenvatting van deze nonsensverhalen te leveren.
Volgens deze weerzinwekkende uitspraak zou hij een schriftelijk antwoord moeten schrijven op de twijfels van de rechtbank, een paper maken aan de hand van vijf religieuze boeken en zijn onderzoeksrapport twee jaar lang elke drie maanden aan de rechtbank voorleggen. Het doodvonnis zal opgeheven worden nadat hij zijn spijt aan de rechtbank betuigd en zijn gedrag gewijzigd heeft.

UNO-RESOLUTIE DIE DE IRAANSE MENSENRECHTENSCHENDINGEN VEROORDEELT, AANGENOMEN



18 november 2017

“De tijd is voor de internationale gemeenschap, en meer in het bijzonder voor de UNO-Veiligheidsraad, gekomen om effectieve en praktische maatregelen tegen het in Iran heersende religieuze fascisme te treffen wegens zijn flagrante en systematische schendingen van de mensenrechten in Iran, meer speciaal de brute willekeurige massale terechtstellingen.”
18 nov. - De mensenrechtensituatie in Iran blijft ernstige zorgen baren. Er zijn berichten dat activisten, journalisten en buitenlanders lastiggevallen, gearresteerd, mishandeld en zelfs gemarteld en in de gevangenis geworpen worden wegens uitlatingen tegen het regime.
De internationale gemeenschap erkende dit door de 64e resolutie aan te nemen, die door het Derde ComitƩ van de UNO opgesteld was ter veroordeling van de mensenrechtenschendingen in Iran.
Speciale aandacht in de berichten van de UNO-Secretaris-Generaal en van de Speciale Rapporteur m.b.t. de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran kreeg de afslachting in 1988 van 30.000 politieke gevangenen. Recht voor de Slachtoffers van het Bloedbad uit 1988 in Iran (JVMI) heeft het bewustzijn gewekt voor deze wreedheid, die begaan werd door de terechtstelling van duizenden gevangenen, gesanctioneerd door de Opperste Leider. De slachtoffers werden in massagraven begraven. Het regime heeft geprobeerd de gebeurtenissen te doen vergeten en bouwactiviteiten gestart op locaties van potentiƫle massagraven.
Het beste voorbeeld van ernstige mensenrechtenschendingen in Iran is de afslachting van politieke gevangenen in 1988, waarbij alle overheidsdiensten en functionarissen van het klerikale regime, waaronder Ali Khamenei, de president, justitie, het parlement en de hoogste functionarissen belast met veiligheid en inlichtingen betrokken en medeplichtig waren. Ze proberen dit te verdedigen en genieten tot nu toe juridische onschendbaarheid.
Daarom is dit voor de internationale gemeenschap een grote uitdaging om deze zware misdaad tegen de menselijkheid te onderzoeken en de daders te vervolgen.” STFA drong er bij de UNO op aan het bloedbad van 1988 te onderzoeken.
Het Derde ComitĆ© van de UNO verklaarde dat het zich “ernstige zorgen maakt over het alarmerend hoge aantal doodvonnissen en de daadwerkelijke voltrekking ervan …, waaronder ook nog eens doodvonnissen waren tegen minderjarigen en personen die op het moment van hun misdrijf nog geen 18 jaar oud waren, en ook terechtstellingen voor misdrijven die niet als echt zware misdrijven gekwalificeerd kunnen worden, soms ook nog met afgedwongen bekentenissen” en riep het Iraanse regime op “te stoppen, zowel qua wetgeving als in de praktijk, met publieke terechtstellingen.”
Steeds vaker melden berichten dat gevangenen vaak een tekort aan voedsel en water hebben. Er wordt van uitgegaan dat ze zelf drinkwater kopen, en vaak wordt hen ook de nodige medische behandeling onthouden. Velen protesteren door middel van een hongerstaking, maar melden dat ze in reactie daarop in eenzame opsluiting geplaatst worden. Veel gevangenen verklaren dat ze vanuit hun cellen naar zwaar beveiligde blokken overgeplaatst worden, waar ze met camera’s geobserveerd worden, en dat zelfs in de rust- en wasruimtes. De resolutie riep Iran ook op ervoor te zorgen dat niemand aan martelingen onderworpen wordt of op een andere manier wreed, onmenselijk of vernederend behandeld wordt, en dat zowel qua wetgeving als in de praktijk,
“De tijd is voor de internationale gemeenschap, en meer in het bijzonder voor de UNO-Veiligheidsraad, gekomen om effectieve en praktische maatregelen tegen het in Iran heersende religieuze fascisme te treffen wegens zijn flagrante en systematische schendingen van de mensenrechten in Iran, meer speciaal de brute willekeurige massale terechtstellingen.”
De UNO riep Iran ter verantwoording voor de mensenrechtenschendingen, en eiste tegelijk een beĆ«indiging van de straffeloosheid voor dergelijke schendingen door leden van het gerechtelijk apparaat en van de veiligheidsdiensten, dit als onderdeel van de resolutie. Veel betrokkenen bij het bloedbad van 1988 zijn echter nog steeds actieve leden van de Iraanse regering, en zelfs lid van het huidige presidentiĆ«le kabinet. De resolutie is slechts een eerste stap — alleen een concrete actie zal tot een verandering voor het Iraanse volk leiden.

Internationale oproep tot onmiddellijke vrijlating van politieke gevangenen in Iran



17 november 2017
Walter Sanchez, de secretaris-generaal van het Internationale Industrievakverbond, en vijf Franse vakbonden riepen op tot onmiddellijke vrijlating van Mahmoud Salehi en Reza Shahabi, twee in de gevangenis geworpen vakbondsactivisten in Iran.
Sanchez uitte zijn bezorgdheid over de arrestatie, marteling en illegale behandeling door het  Iraanse regime van arbeiders en vakbondsleiders wegens vakbondsactiviteiten, waarbij hij wees op de ernstig bedreigde gezondheid en welzijn van de twee gevangenen. Naar verluidt heeft de politieke gevangene Mahmoud Salehi een hartkwaal en diabetes. De arts die Mahmoud Salehi behandelt, had een overplaatsing naar een goed uitgerust hospitaal in Teheran aanbevolen, namelijk Tabriz of Orumiyeh vanwege zijn zwakke hart, maar de rechtbank van het regime weigerde dit op 20 november en liet hem in de Saghez-gevangenis.
De secretaris-generaal van het Internationale Industrievakverbond vermeldde in zijn brief ook de gezondheidstoestand van de politieke gevangene Reza Shahabi en schreef dat deze ernstige gezondheidsproblemen had als gevolg van jarenlange martelingen tijdens ondervragingen.
Ook vijf Franse vakbonden attendeerden in een brief het Iraanse regime op de gezondheidstoestand van deze twee gevangenen en verklaarden dat Mahmoud Salehi levensgevaarlijk ziek was en dat artsen in de gevangenis gezegd hadden dat Salehi permanent in een hospitaal buiten de gevangenis zou moeten behandeld worden en aansluitend niet naar de gevangenis teruggestuurd zou moeten worden.
De Franse vakbonden benadrukten de noodzaak om de unfaire veroordelingen op te heffen en alle gevangenzittende activisten onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten en ze dus niet te straffen voor hun vakbondsactiviteiten en voor hun verdediging van de rechten van loontrekkenden.
De brief noemde ook de politieke gevangenen Reza Shahabi en Ismael Abdi, lid van het bestuur van de lerarenvereniging.