18 november 2017
|
“De tijd is voor de internationale
gemeenschap, en meer in het bijzonder voor de UNO-Veiligheidsraad, gekomen om
effectieve en praktische maatregelen tegen het in Iran heersende religieuze
fascisme te treffen wegens zijn flagrante en systematische schendingen van
de mensenrechten in Iran, meer speciaal de brute willekeurige massale terechtstellingen.”
|
18 nov. - De mensenrechtensituatie in Iran blijft ernstige
zorgen baren. Er zijn berichten dat activisten, journalisten en buitenlanders
lastiggevallen, gearresteerd, mishandeld en zelfs gemarteld en in de gevangenis
geworpen worden wegens uitlatingen tegen het regime.
De internationale gemeenschap erkende dit door de 64e
resolutie aan te nemen, die door het Derde Comité van de UNO opgesteld was ter
veroordeling van de mensenrechtenschendingen in Iran.
Speciale aandacht in de berichten van de UNO-Secretaris-Generaal
en van de Speciale Rapporteur m.b.t. de situatie van de mensenrechten in de
Islamitische Republiek Iran kreeg de afslachting in 1988 van 30.000 politieke gevangenen.
Recht voor de Slachtoffers van het Bloedbad uit 1988 in Iran (JVMI) heeft het
bewustzijn gewekt voor deze wreedheid, die begaan werd door de terechtstelling van
duizenden gevangenen, gesanctioneerd door de Opperste Leider. De slachtoffers
werden in massagraven begraven. Het regime heeft geprobeerd de gebeurtenissen
te doen vergeten en bouwactiviteiten gestart op locaties van potentiële massagraven.
Het beste voorbeeld van ernstige mensenrechtenschendingen
in Iran is de afslachting van politieke gevangenen in 1988, waarbij alle overheidsdiensten
en functionarissen van het klerikale regime, waaronder Ali Khamenei, de
president, justitie, het parlement en de hoogste functionarissen belast met
veiligheid en inlichtingen betrokken en medeplichtig waren. Ze proberen dit te
verdedigen en genieten tot nu toe juridische onschendbaarheid.
Daarom is dit voor de internationale gemeenschap een
grote uitdaging om deze zware misdaad tegen de menselijkheid te onderzoeken en de
daders te vervolgen.” STFA drong er bij de UNO op aan het bloedbad van 1988 te
onderzoeken.
Het Derde Comité van de UNO verklaarde dat het zich “ernstige
zorgen maakt over het alarmerend hoge aantal doodvonnissen en de daadwerkelijke
voltrekking ervan …, waaronder ook nog eens doodvonnissen waren tegen
minderjarigen en personen die op het moment van hun misdrijf nog geen 18 jaar
oud waren, en ook terechtstellingen voor misdrijven die niet als echt zware
misdrijven gekwalificeerd kunnen worden, soms ook nog met afgedwongen bekentenissen”
en riep het Iraanse regime op “te stoppen, zowel qua wetgeving als in de
praktijk, met publieke terechtstellingen.”
Steeds vaker melden berichten dat gevangenen vaak een
tekort aan voedsel en water hebben. Er wordt van uitgegaan dat ze zelf drinkwater
kopen, en vaak wordt hen ook de nodige medische behandeling onthouden. Velen protesteren
door middel van een hongerstaking, maar melden dat ze in reactie daarop in
eenzame opsluiting geplaatst worden. Veel gevangenen verklaren dat ze vanuit
hun cellen naar zwaar beveiligde blokken overgeplaatst worden, waar ze met camera’s
geobserveerd worden, en dat zelfs in de rust- en wasruimtes. De resolutie riep Iran
ook op ervoor te zorgen dat niemand aan martelingen onderworpen wordt of op een
andere manier wreed, onmenselijk of vernederend behandeld wordt, en dat zowel
qua wetgeving als in de praktijk,
“De tijd is voor de internationale gemeenschap, en
meer in het bijzonder voor de UNO-Veiligheidsraad, gekomen om effectieve en praktische
maatregelen tegen het in Iran heersende religieuze fascisme te treffen wegens zijn
flagrante en systematische schendingen van de mensenrechten in Iran, meer
speciaal de brute willekeurige massale terechtstellingen.”
De
UNO riep Iran ter verantwoording voor de mensenrechtenschendingen, en eiste tegelijk
een beëindiging van de straffeloosheid voor dergelijke schendingen door leden
van het gerechtelijk apparaat en van de veiligheidsdiensten, dit als onderdeel
van de resolutie. Veel betrokkenen bij het bloedbad van 1988 zijn echter nog
steeds actieve leden van de Iraanse regering, en zelfs lid van het huidige
presidentiële kabinet. De resolutie is slechts een eerste stap — alleen een
concrete actie zal tot een verandering voor het Iraanse volk leiden.

No comments:
Post a Comment