Saturday, December 30, 2017

Iran: Crisis bij scholieren-vrachtdragers (kruiers)




Een lid van het Iraanse parlement sprak van een “Crisis bij scholieren-vrachtdragers (kruiers)” en verklaarde dat 75.000 personen in Iran betrokken zijn bij het dragen van vrachten, waaronder ook een aantal studenten die bij hun draagtochten omkwamen.
Rassoul Khezri verklaarde in een interview met het staatsnieuwsagentschap op 28 oktober dat studenten in de westelijke provincies van Iran betrokken zijn bij het dragen van vrachten. “We zien een crisis bij scholieren-vrachtdragers die bij hun werk omkomen.”, voegde hij eraan toe.
Er waren al berichten verschenen over de activiteiten van een aantal scholieren in de westelijke provincies van Iran die als vrachtdragers werkzaam zijn.
Na de dood van een aantal dragers in de grens- en berggebieden ten gevolge van een lawine in de winter van 2016 verklaarde de vader van Ali Mohammadzadeh, één van die dragers, dat zijn 18-jarige zoon net als een aantal vrienden van hem 150.000 tot 200.000 toman voor elke draagtocht kreeg.
De literatuurdocent van Ali Mohammad Zadeh vertelde aan de Etemad-krant dat “veel scholieren in de grenssteden draagtochten uitvoeren, maar dit nooit op school of tegen hun vrienden vertellen”.
Kolbar (kruier) worden diegenen genoemd die goederen op hun schouders de grens overbrengen om in hun levensonderhoud te voorzien. Dit gebeurt vooral in de provincies West-Aserbeidjan, Koerdistan en Kermanshah.

Khezri zei dat dragers een vracht van ca. 220 kg op hun schouders dragen en dat “hen door dit zware gewicht fysieke problemen bedreigen”.
Dit parlementslid vertelde ook dat de dragers zelf 95 procent van hun ziektekosten moeten betalen.
Volgens sommige berichten is een aantal doden omgebracht door de Iraanse veiligheidstroepen, die op de dragers in de bergen en in de grensstreken vuren.
In augustus en september 2017 vonden er demonstraties plaats in Baneh en Sanandaj als protest tegen de dood van twee jonge dragers uit Baneh, waarbij een aantal personen gearresteerd werd.
Zoals bij andere sociale problemen ziet het Iraanse regime geen andere oplossing voor dit probleem dan onderdrukking, en daar vormen deze dragers geen uitzondering op.



Thursday, December 21, 2017

Jonge politieke gevangene schrijft brief aan Irans Speciale Rapporteur



Mohammad Saber Malek Reisi, een jonge politieke gevangene die momenteel in hongerstaking is, schreef een brief aan mevrouw Asmah Jahangir, de Speciaal Rapporteur voor Mensenrechten in Iran.
Een deel van zijn brief luidt:
“Op woensdag 27 november zijn mijn godsdienst en overtuigingen beledigd door de Dienst voor Gevangenisbescherming en -veiligheid van de Centrale Ardabil Gevangenis en werd ik naar het kantoor gebracht van het hoofd van de gevangenisbewakers. Terwijl ik daar was, bonden het hoofd van de afdeling en het hoofd van de bewakers mijn handen en voeten en sloegen mij met een wapenstok. Terwijl ze mij op mijn gezicht stompten en trapten, gebruikten zij grove taal tegen mijn familie om mij te beledigen. Daarna brachten zij mij over naar de afdeling quarantaine terwijl ik nog steeds vastgebonden was, met een gekneusd lichaam. Eén van de gevangenen in de quarantaine, die ook voor ze werkt, was ingehuurd om een gevecht met mij te beginnen, zodat zij het erop konden laten lijken, alsof gevangenen onderling aan het vechten waren… De gevangene viel mij drie keer aan in drie uur tijd… Bij het laatste gevecht sloeg hij mij met een theepot zo hard op mijn hoofd dat ik het bewustzijn verloor en op de grond viel. Ik kwam op de rechterkant van mijn gezicht terecht dat compleet gekneusd en gewond raakte…
Toen ik weer bijkwam en mijn ogen open deed, ontdekte ik dat ik in een ziekenhuisbed lag. Ik was vergeten wat er was gebeurd en begreep niet waarom ik op die plek was…
Ik vroeg aan de dokter en aan de medische staf wat er met mij gebeurd was en waarom ik in de kliniek lag. Zij vertelden mij dat ik had gevochten met iemand en hem had gedood! Ik geloofde ze en was heel bang en bezorgd dat ik een moord gepleegd had, totdat ik me langzamerhand alles herinnerde en besefte dat dit weer een leugen was net als al die andere…
Zij documenteerden het gevecht en vroegen mij om een aanklacht in te dienen tegen de andere gevangene en het document te tekenen, maar ik heb niets getekend, omdat mijn enige klacht gericht is tegen Parviz Surazar, het Hoofd van
Dienst voor Gevangenisbescherming en -veiligheid van de Centrale Ardabil Gevangenis, tegen Farhad Norouzi, Hoofd van de Afdeling en tegen Ghafour Sadeghzadeh, hoofd van de gevangenisbewakers.
Ten slotte vraag ik uwe eminentie om mij en mijn familie te redden van dit wrede regime.
Ik wil ook graag vermelden dat ik sinds woensdag 27 november in hongerstaking ben om mijn vrijheid op te eisen, omdat ik geen misdaden heb begaan.
Ik zit al negen jaar in de gevangenis, alleen omdat ze mijn broer Abid al-Rahman willen arresteren en controleren en ik ben een gijzelaar geworden van dit regime.
Mohammad Saber Malek Reisi,
Afdeling Quarantaine van de Centrale Ardabil Gevangenis
 (STFA  4 december 2017)

Algemene Vergadering van de UNO neemt resolutie aan tegen mensenrechtenschendingen in Iran





 19 december 2017
De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties nam dinsdag, 19 december, haar 64e resolutie tegen de mensenrechtenschendingen in Iran aan.
STFA drong er bij de UNO op aan een onderzoekscommissie in deze zaak in te stellen, eraan toevoegend: “Dit is de eerste stap om een einde te maken aan de misdaden van criminelen, die nu al 38 jaar in Iran heersen.”
STFA omarmde de resolutie en verklaarde dat: “Ten aanzien van een regime dat zich helemaal niets aantrekt van tientallen UNO-resoluties tegen de niet aflatende schendingen van mensenrechten in Iran en ten aanzien van de actieve medeplichtigheid van de allerhoogste regimefunctionarissen bij het ombrengen van politieke gevangenen, moet de internationale gemeenschap bindende maatregelen treffen om de misdaden van het regime te stoppen. Alle diplomatieke en commerciële relaties met het theocratische regime van de mullahs dienen op een directe manier de belangen van het Revolutionaire Garde-Corps (IRGC), en moeten afhankelijk gemaakt worden van de beëindiging van folteringen en terechtstellingen in Iran en van de destructieve bemoeienissen van het land in de regio. Bij afwezigheid van een dergelijk vastbesloten beleid zullen de flagrante schendingen van de mensenrechten in Iran en de export van terrorisme, fundamentalisme en oorlogszucht naar de regio en de wereld doorgaan.”
De resolutie roept het Iraanse regime op “een begrijpelijk verantwoordingsproces op gang te brengen m.b.t. alle ernstige mensenrechtenschendingen, inclusief de gevallen waarbij de Iraanse rechtspraak en veiligheidsinstanties betrokken waren, en … de straffeloosheid voor dergelijke misdaden op te heffen.” Het meest sprekende voorbeeld van dergelijke ernstige mensenrechtenschendingen in Iran is de afslachting van politieke gevangenen in 1988, waarbij alle functionarissen van het klerikale regime, in het bijzonder Ali Khamenei, alsmede de rechtspraak en de hoogste functionarissen van de veiligheids- en inlichtingendiensten betrokken waren. Ze staan daar nog steeds achter, en zijn tot dusver verschoond gebleven van vervolging. Daarom staat de internationale gemeenschap een grote test te wachten, nl. deze grove misdaad tegen de menselijkheid onderzoeken en de daders juridisch vervolgen.”
De Algemene Vergadering van de UNO sprak zijn “ernstige bezorgdheid uit over het alarmerend hoog aantal opgelegde en daadwerkelijk uitgevoerde doodstraffen ..., waaronder ook doodstraffen voor minderjarigen en personen die op het moment van hun misdrijf nog geen 18 jaar oud waren, en over terechtstellingen voor misdrijven die niet als de meest ernstige misdrijven kunnen gekwalificeerd worden, en dat ook nog op basis van afgedwongen bekentenissen” en ze riep het Iraanse regime op “openbare terechtstellingen zowel in de wetgeving als in de praktijk af te schaffen.”
De resolutie van de Algemene Vergadering van de UNO ook op te stoppen met “folteringen en andere wrede, onmenselijke en vernederende behandelingen of bestraffingen, alsmede met de wijdverbreide en systematische willekeurige opsluitingen, waaronder ook die van buitenlanders met een dubbele nationaliteit”, “de armzalige omstandigheden in de gevangenissen”, “met de ontzegging van adequate medische behandeling”, “met wijdverbreide en ernstige beperkingen … m.b.t. het recht op meningsvrijheid en de uiting daarvan, de vrijheid van vereniging en van vreedzame bijeenkomsten, dit zowel online als offline”, “het lastigvallen, de intimidatie en vervolging van politieke tegenstanders, mensenrechtenactivisten, activisten voor vrouwenrechten en rechten van minderheden, vakbondsleiders, studentenrechtenactivisten, academici, filmmakers, journalisten, bloggers, gebruikers van social media en beheerders van social-media-pagina’s op internet, mediamensen, religieuze leiders, kunstenaars, advocaten en personen en hun families die tot een al dan niet erkende minderheid behoren”, “onnodig harde vonnissen, inclusief de doodstraf en langdurige binnenlandse verbanning”, “represailles tegen personen, ook tegen hen die samenwerken met mensenrechtenorgnisaties van de Verenigde Naties,” en “alle vormen van discriminatie en andere mensenrechtenschendingen van vrouwen en meisjes” en “van personen die tot een religieuze, etnische, linguïstische of andere minderheid behoren.”