21 juli 2018
Stfa
Bijna vier jaar na een reeks aanvallen met
zuren op vrouwen in de Iraanse stad Isfahan heeft de rechterlijke macht de
zaken zonder enige veroordeling afgesloten, maar wel beloofd de slachtoffers
schadeloos te stellen.
"Dit was een openbare misdaad die niet
met het verstrijken van tijd verdwijnt, en daarom heeft het geen zin om de zaak
te sluiten," verklaarde de Iraans-Canadese procureur Hossein Raeesi aan
het Centrum voor de Rechten van de Mens in Iran (CHRI) op 19 Juli.
"Als de privé-aanklagers ermee hebben
ingestemd de vervolging van de zaak te beëindigen, is dat fijn, maar als het
betekent dat de autoriteiten gaan stoppen met het zoeken naar de daders, dan
zou dat onwettig en onredelijk zijn," aldus bovengenoemde Raeesi.
"De rechtbank en de politie moeten de
zaak open laten en de rechterlijke macht en de veiligheidsdiensten zouden de
zaak serieus moeten vervolgen", voegde hij eraan toe.
In het najaar van 2014 werden maar liefst
tien vrouwen in Iran zwaar verminkt door mannen die zuur naar hen gooiden. Volgens
ooggetuigen werden de slachtoffers aangevallen omdat ze iets droegen wat de
mannen als ongepaste hijabs beschouwden.
De aanvallen vonden plaats toen het
Iraanse parlement debatteerde over het Plan ter Bevordering van Deugdzaamheid
en ter Zedeloosheidsbestrijding, dat in juni 2015 van kracht werd. Het machtigt
burgers mensen "verbaal" aan te spreken over door hen begane zonden.
Artikel 4 bepaalt: "Het bevorderen
van deugd en het voorkomen van zedeloosheid gebeurt mondeling, schriftelijk of
door oprecht handelen. Het mondelinge en schriftelijke aspect is de
verantwoordelijkheid van alle mensen en van de overheid, maar het uitvoerende
aspect is alleen de verantwoordelijkheid van de overheid en wordt uitgevoerd
binnen de grenzen van de wet.
Artikel 6 bepaalt: "Geen individu of
groep heeft het recht om mensen te beledigen, slaan, verwonden of doden uit
naam van het bevorderen van deugd en het voorkomen van zedeloosheid.
Overtreders zullen volgens het islamitische wetboek van strafrecht worden gestraft.
Isfahan's vrijdag-gebedsleider Mohammad
Taghi Rahbar stelde in oktober 2014 dat vrouwen met een "slechte
hijab" met meer dan alleen woorden geconfronteerd moeten worden. De
woorden van de vrijdag-gebedsleiders in Iran worden door de gelovigen vaak
beschouwd als gelijk aan of zelfs belangrijker dan de wet.
Een jaar na de aanvallen vertelde de
moeder van een van de slachtoffers aan het CHRI dat de autoriteiten geen
informatie hadden verstrekt over de resultaten van hun onderzoek en waarschuwde
zij tegelijk families om niet met buitenlandse media te spreken.
"Telkens als we proberen om de zaak
van onze dochter op de voet te volgen, zeggen ze dat ze eraan werken, maar tot
nu toe hebben ze nog geen enkele informatie gegeven. De eerste paar weken waren
ze erg actief in de zaak, maar daarna zijn ze veel trager gaan werken. Het
lijkt wel alsof ze het vergeten zijn. We zijn veel rondgerend, o.a. om door het
ministerie gecompenseerd te worden voor de medische kosten van onze dochter. Nu
is onze belangrijkste wens dat de daders van de aanvallen met zuur worden
gestraft," zei ze.
Hoewel niemand is veroordeeld voor het
illegaal aanvallen van vrouwen, is een aantal burgerrechtenactivisten vervolgd
wegens hun protesten tegen de aanvallen, onder wie mensenrechtenactivist Ali Shariati,
die zestien maanden in de gevangenis heeft gezeten voordat hij in februari 2018
werd vrijgelaten.
Ook burgerrechtenactiviste Mahdieh Golru
werd in oktober 2014 gearresteerd, een dag nadat ze een bijeenkomst had
bijgewoond om te protesteren tegen de zuur-aanvallen op vrouwen in de Iraanse
provincie Isfahan.
Tot haar vrijlating in januari 2015 zat ze
in eenzame opsluiting in de Afdeling 2-A van de Evin-gevangenis, die onder
controle staat van de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC).



No comments:
Post a Comment